submenu

Gepensioneerd bakkerskoppel Josée Moorkens (80) en André De Witte - 13/05/2019

‘We bakken nog altijd ons eigen brood’

Bakkerij Moorkens klinkt wellicht nog een flink aantal Linkebekenaren bekend in de oren, en dat is voor een groot stuk de verdienste van Josée Moorkens (80) en André De Witte (85).

Meer dan dertig jaar lang zorgden ze letterlijk voor het brood op de plank in Linkebeek, met een passie en overgave die je nu nog zelden ziet.

Meer dan tachtig jaar lang was de bakkerij op het Gemeenteplein, die nu La Martine heet, in handen van de familie Moorkens. ‘Mijn grootouders zijn ermee gestart in het begin van de twintigste eeuw’, vertelt Josée. ‘In 1938 gaven ze de fakkel door aan mijn ouders en in 1970 namen wij de bakkerij over. Ik herinner me dat ik toen ik een jaar of acht was al meehielp in de zaak. Terwijl mijn ma op zondag naar de vroegmis ging, moesten mijn zus en ik alle broden en taarten in de winkel klaarzetten. Ik heb dus nooit echt anders gekend, maar erg vind ik dat niet.’

Van Tielt naar Linkebeek

Het bakken zit Josée in het bloed, maar dat geldt evenzeer voor André. ‘Ik ben ook een bakkerszoon. Mijn ouders hadden een bakkerij in Tielt in West- Vlaanderen. Een oom van mij was de leverancier van de bloem bij bakkerij Moorkens in het verre Linkebeek’, vertelt André. ‘Op een dag nam hij me mee, omdat hij had gehoord dat hun bakker ziek was en dat ze dringend vervanging zochten. Ik ben hier toen een paar dagen komen helpen. Toen bleek dat hun bakker ermee ophield, wist mijn oom me te overtuigen om definitief naar hier te komen. Al had hij niet zo veel overtuigingskracht nodig, want ik had intussen mijn oogje laten vallen op de bakkersdochter’, lacht André.

De broden en taarten gingen al die jaren in groten getale over de toonbank van bakkerij Moorkens. ‘Onze zaak heeft altijd heel goed gedraaid. Concurrentie was er in die tijd nauwelijks in Linkebeek. Er was nog één andere bakker op het Holleken’, zegt Josée. ‘Voor zover er al supermarkten waren, was hun assortiment toen niet te vergelijken met wat wij hadden. Nu is dat anders. Wij hebben de gouden jaren gekend, maar we hebben er keihard voor moeten werken, dag en nacht.’ André: ‘Elke werkdag begon voor mij om 12 uur ’s nachts. Veel mensen vinden dat een hondenleven, maar ik niet. Ik hield van de stilte ’s nachts in mijn bakkerij. Mijn deeg en ik, geen telefoons, geen gedoe rond mijn hoofd. Ik vond dat zalig. En mensen apprecieerden wat we deden. Ze kwamen van heinde en verre voor ons stokbrood en de pistolets. Elke zondag maakte ik er 1.800 en die gingen allemaal de deur uit.’

Proefpensioen

In 1987 besloten André en Josée dat het genoeg was geweest. ‘We hebben het altijd graag gedaan, maar ik was bang dat we ons dood aan het werken waren’, vertelt Josée. ‘Ik wilde nog wat van het leven genieten en dat konden we te weinig zolang we de bakkerij hadden.’ De bakkersmicrobe bleek geen vat te hebben op de kinderen van André en Josée, en dus werd de bakkerij verkocht. ‘We waren toen nog prille vijftigers, noem het jong gepensioneerden’, lacht Josée. ‘De eerste maanden viel er een enorme last van onze schouders, maar toen kwam het zwarte gat. Vooral ik wist met mezelf geen blijf. Na een tijdje ben ik terug aan het werk gegaan, opnieuw in een bakkerij, maar dan in Halle. Ik werkte in loondienst, eerst één dag per week, maar dat werd al snel een halftijdse job.’ En ook bij André bleek het bloed te kruipen waar het niet kan gaan. André: ‘Eerst heb ik een tijdje gewerkt in de bakkerij waar Josée achter de toonbank stond en later nog in Sint-Agatha-Berchem. Tot het na een paar jaar echt genoeg was geweest en we écht met pensioen zijn gegaan.’

Atelier in de kelder

Josée en André zijn intussen dus een gepensioneerd bakkerskoppel, maar van rust is nog altijd niet veel sprake, want André weet niet van ophouden. ‘Ik bak nog elke dag zelf brood in mijn kelder, die is omgebouwd tot atelier. Ook stokbroden en pistolets maak ik nog altijd met mijn eigen handen. Is er een familie- of verjaardagsfeestje, dan weten ze bij wie ze moeten zijn voor een taart. En wees maar gerust dat ze me in onze familie- en kennissenkring nog altijd weten te vinden’, lacht André.

Nu ze allebei tachtigers zijn, doen Josée en André het kalmer aan. ‘André zit nog vaak in zijn atelier en ik kijk graag naar de koers op televisie’, zegt Josée. ‘Het  is misschien vreemd, maar ik heb van strijken mijn hobby gemaakt. Ik doe dat echt graag. We gaan ook regelmatig naar zee of naar de Ardennen. En ook dan nemen we ons eigen brood mee. Verre reizen zoals die net na ons pensioen doen we niet meer. Maar er is nog altijd één constante, hoe ver of dicht we ook van huis zijn: het eerste dat André doet als we ergens aankomen, is de plaatselijke bakker keuren. Dat krijg ik er nooit meer uit’, lacht Josée. ‘Ik zal wellicht nooit van mijn beroepsmisvorming afraken’, geeft André grinnikend toe. Josée is dan weer verknocht aan haar Linkebeek. ‘We hebben het er na ons pensioen vaak over gehad’, zegt ze. ‘Zouden we niet naar zee verhuizen? Of naar Tielt, waar André vandaan komt? Maar ik kan het niet. Ik hou veel te veel van Linkebeek. Mij krijgen ze hier niet weg. Daar heeft André zich al lang bij neergelegd’, lacht Josée.

Tekst: Tina Deneyer
Foto: Tine De Wilde
Uit: Sjoenke mei