submenu

Marie-Jeanne Hannaert en Thérèse Govers - 06/06/2019

‘We zouden onze jeugd voor geen geld willen ruilen’

Hun vriendschap is voor het leven. Dat staat voor Marie-Jeanne Hannaert en Thérèse Govers als een paal boven water. Maar wat is het geheim van een vriendschap die de stormen van het leven trotseert? ‘Elkaar zeggen wat je écht denkt’, klinkt het.

De mooiste tijd van hun leven

De twee dames hebben afgesproken Bij Yvonne. Een café waar ze zich meteen in de sfeer voelen om de herinneringen aan hun jeugd op te halen. Dat doen ze met veel plezier, want hun jonge jaren in Linkebeek staan nog altijd in hun geheugen gegrift als de mooiste tijd van hun leven. Het was  een tijd waarin hun vriendschap en het hechte gemeenschapsleven centraal stonden. Samen gingen ze naar school in de lagere school in het Holleken. Thérèse herinnert zich nog hoe Marie-Jeanne op een dag, toen ze voor de zoveelste keer door zuster Alberta gestraft werd, haar nonnenkap aftrok. ‘Ik dacht toen: wat doet ze nu? Haar straf was niet de minste. Uren moest ze in afzondering doorbrengen. Maar daar maakte ze geen drama van. Ze was bereid om de gevolgen van haar daden te dragen.’ De pretoogjes van Marie-Jeanne flakkeren op. Haar jeugd is een vat vol mooie en ondeugende herinneringen. ‘Weet je nog hoe we belleke trek deden en dan wegrenden om ons  in de weide te verstoppen? Toen we wat ouder waren, hebben we veel plezier beleefd in de cafés en de dansgelegenheden van Linkebeek en Drogenbos. In die tijd waren er maar liefst 13 cafés in Linkebeek.’ De stem van Marie-Jeanne verraadt een grote heimwee naar die tijd. Beide dames vertellen dat ze voor geen geld ter wereld hun jeugd zouden willen inruilen voor een jeugd zoals jongeren die vandaag beleven.

Strenge maar rechtvaardige ouders

Nochtans was hun jeugd geen gemakkelijke periode. Zowel Marie-Jeanne als Thérèse gingen al op heel jonge leeftijd werken als dienstmeisje. Het geld dat ze verdienden, stonden ze thuis af. Ze waren al blij dat ze een beetje zakgeld (20 frank) kregen, zodat ze in het weekend iets konden gaan drinken. ‘Thuis hadden we een boerderij. Wij vonden het normaal dat wij ons steentje moesten bijdragen en hielpen bij het telen van aardappelen, witloof en aardbeien. In onze tijd deed je dat gewoon’, vertelt Thérèse. Marie-Jeanne voegt eraan toe dat haar vader heel streng was. Als ze op vrijdagavond uitging, moest ze om 11 uur thuis zijn. Er werd immers van haar verwacht dat ze de volgende ochtend om 6 uur klaarstond om mee te helpen in de moestuin. ‘Hoe vaak is het niet gebeurd dat ik te laat thuiskwam? Ik wist dat me dan een pak rammel te wachten stond. Of ik dat erg vond? Het waren de regels. Overtrad je die, dan moest je daarvoor opdraaien. Zo eenvoudig was dat. Ik heb mijn ouders nooit iets verweten. Het waren goede mensen.’ Thérèse vertelt dat haar ouders heel vrijgevige mensen waren. ‘Hun grootste geluk bestond erin als ze iemand een plezier konden doen met wat groenten uit de tuin of melk van de boerderij. Mijn broer Pierre, beter bekend als  Pie Cinema, had ook zo’n sociaalvoelend karakter. Hij heeft vele jaren een garage gehad in Linkebeek. Altijd stond hij klaar om anderen te helpen.’

Moeders in de bloemetjes zetten

In de tijd van Marie-Jeanne en Thérèse lag het geluk om de hoek. In de lente amuseerden de meisjes zich kostelijk met het plukken van wilde hyacinten. Die bloemen verkochten ze dan deuraan-deur. Met het geld dat ze verdienden, kochten ze een doos koekjes die ze op Moederdag aan hun moeders gaven. ‘De koekendozen kochten we in een zaak in het Holleken. In die tijd kon je hier alles vinden wat je nodig had. Er was een bakkerij, meerdere slagerijen, een schoenmaker, een kruidenier, een fietsenmaker, een smid, een bollenwinkel ... Je hoefde je niet ver te verplaatsen om in je levensonderhoud te voorzien. Vandaag moet ik voor een brood een bus nemen’, zegt Marie-Jeanne. Ze wijst erop dat ze vandaag haar boodschappen niet meer zelf kan doen, maar dat ze gelukkig op Jean-Pierre kan rekenen. Een Linkebekenaar die ze al jaren kent en die haar met allerlei klusjes helpt. Thérèse herinnert zich dat haar ouders hun brood zelf bakten. Doordat ze op de boerderij kippen en varkens hadden en zelf hun groenten teelden, moesten ze niet zo vaak naar de winkel. ‘Trouwens, in die tijd was er ook een melkboer die langskwam met een kar die door twee honden voortgetrokken werd. Vervoer op wielen kwam pas later. Ik zie de burgemeester nog die zich met paard en kar verplaatste en de dokter die met zijn fiets naar de patiënten reed.’

De waarheid zeggen

Je merkt dat beide dames niet veel woorden nodig hebben om elkaar te begrijpen. Wat maakt dat hun band na al die jaren nog zo sterk is? Marie-Jeanne hoeft niet lang na te denken om die vraag te beantwoorden. ‘Elkaar zeggen wat je denkt, dat duurt het langst.’ Die uitspraak doet Thérèse aan haar moeder denken. ‘Een van de gouden regels bij ons thuis was dat je altijd de waarheid moest zeggen. Mijn moeder stond daarop. Als ik iets uitgestoken had, kon ze me met haar wijzend vingertje duidelijk maken dat ik maar beter de waarheid vertelde. Dat heeft altijd indruk op me gemaakt.’ De waarheid is een bondgenoot van beide dames en waarschijnlijk ook een belangrijk bindmiddel voor hun vriendschap. Of was het misschien de oorlog die ze samen meemaakten, die hun band versterkte? ‘De oorlog heeft me niet echt geraakt. Ik heb geen enkele dag, ook niet tijdens de oorlog, honger gekend. Weet je dat we thuis zelfs frieten in gesmokkelde boter klaarmaakten?’ Thérèse haalt aan dat de dag dat er V1- en V2-bommen op Beersel neergekomen waren, wel een grote indruk op haar gemaakt heeft. Maar ze heeft het nooit als een trauma ervaren. En wat verwachten de dames nog van het leven? Voor Marie-Jeanne, die in dit leven haar man en twee van haar drie kinderen al verloren heeft, is het duidelijk: ‘Het mag stoppen. Ik heb een goed leven gehad. Het liefst zou ik bij mijn man willen zijn. Ze mogen mij komen halen.’ Thérèse kijkt met veel mede- dogen naar haar vriendin. Voor haar is er echter nog geen sprake van een voltooid leven. ‘Ik wil nog blijven. Geef mij maar nog zo veel mogelijk jaren die ik samen met mijn man, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen kan doorbrengen.’

Tekst: Nathalie Dirix
Foto: Tine De Wilde
Uit Sjoenke juni