submenu

60 jaar Sjoenke - 16/11/2020

Van soldatenblad naar gemeenschapskrant

21 april 1960: een belangrijke dag in de geschiedenis van Linkebeek. Toen, 60 jaar geleden, verscheen het eerste nummer van Sjoenke. Dat verdient een terugblik met enkele pioniers. We spraken met Alex Geysels, Anne Van Loey en Jozef ‘Jef’ Motté, drie (ex-)vrijwilligers in de redactieraad van Sjoenke

Ontstaan in een andere wereld

Het eerste nummer van Sjoenke verschijnt aan het begin van de golden sixties. 1960 is het jaar dat ze in Egypte beginnen met de bouw van de Aswandam, dat de NIR (Nationaal Instituut voor de Radio-omroep) wordt omgedoopt tot BRT (Belgische Radio en Televisie), dat Congo onafhankelijk wordt, dat de grenscontroles in de Benelux worden opgeheven, dat de Sovjet-Unie na Laika opnieuw twee honden in een spoetnikcabine de ruimte in stuurt, dat Kennedy de Amerikaanse president wordt en dat koning Boudewijn met zijn Fabiola trouwt. Een heel andere wereld dan vandaag. Dat blijkt ook uit de ontstaansgeschiedenis van Sjoenke.

Het tijdschrift dankt zijn bestaan aan de tot 1993 verplichte legerdienst. Enkele jonge Linkebekenaars wilden in 1960 immers iets doen voor de ‘miliciens’ uit de gemeente die – hoofdzakelijk – in Duitsland gekazerneerd waren. Onder impuls van Yves Van Uffelen werd een Milac-afdeling opgericht, wat staat voor Actie voor Miliciens. In die tijd waren er in het hele land zulke Milac-kernen.

De bedoeling van die Milac-groepen was om toekomstige dienstplichtigen beter voor te bereiden op hun legerdienst. Maar het was ook een middel om in de gemeente, vaak onder de kerktoren, voeding en andere spullen in te zamelen voor ‘hun’ jongens in legerdienst. Om ervoor te zorgen dat de Linkebeekse miliciens die maandenlang in Duitsland of elders zaten toch nieuwtjes uit hun thuisgemeente zouden kunnen vernemen – van internet of gsm’s was nog lang geen sprake – werd een soldatenblad boven het doopvont gehouden.

Jef Motté leerde Sjoenke op die manier kennen. ‘Ik kwam met Milac in contact in 1963, tijdens mijn legerdienst in het Duitse Arolsen.’ Enkele jaren later zou hij beginnen mee te werken aan Sjoenke. ‘Toen in 1966 de eerste Milac-medewerkers ermee stopten, engageerden vooral enkele ex-Chiroleiders zich om het werk van Milac voort te zetten.’ Het voornaamste takenpakket? ‘Contact houden met soldaten, Sjoenkes verkopen, meewerken aan de opmaak …’

What’s in a name?

Het soldatenblad kreeg de naam Sjoenke. Een naam die vandaag niet meer bij elke Linkebekenaar een belletje doet rinkelen. Alex Geysels – die vanaf 1966, toen de eerste vrijwilligers de fakkel doorgaven, in de redactieraad zat – vertelt hoe de vork in de steel zit. ‘Begin 1960 kwam het bestuur van Milac-Linkebeek bij mijn vader om een naam voor hun toekomstige blad te bespreken. Mijn vader suggereerde Sjoinke, een plaatselijke afkorting van Sebastiaan, de parochieheilige van Linkebeek (die naast Sjoinke ook wel Sebasjoen, Sjoen of Sjoenke werd genoemd).’ Uiteindelijk viel de keuze op Sjoenke.

Op de cover

Sjoenke zag het levenslicht als soldatenblad. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat op de allereerste cover twee Belgische soldaten – van wie een met sigaret in de mond – prijken. Ook latere covers zullen het soldatenleven als thema hebben. Dat verandert in 1973, als reus Sjoenke op de kaft een ereplaats krijgt. Zo wordt meteen duidelijk dat Sjoenke niet langer een soldatenblad is, maar eerder een blad over het leven in Linkebeek. Een redactionele keuze die later versterkt wordt door de oprichting van de Sociaal- Culturele Raad, met Alex Geysels als eerste voorzitter. Reus Sjoenke zal later soms gezelschap krijgen van reuzin Wanjke.

Tegenwoordig siert elke maand een andere foto de cover van het magazine. Een Linkebekenaar die in het nummer aan het woord komt, wordt zo letterlijk in de kijker gezet. En op de cover van dit nummer schittert een cartoon van Rik Otten: een eerbetoon aan 60 jaar Sjoenke.

Nieuws voor soldaten en Linkebekenaren

In de jaren 60 en 70 waren er altijd tussen de tien en de twintig Linkebeekse dienstplichtigen. ‘In Sjoenke stonden voornamelijk bijdragen die de soldaten en andere Linkebekenaren konden interesseren,’ zegt Alex Geysels ‘zoals onder meer geschiedkundige bijdragen van mijn vader, vermelding van gebeurtenissen door Octaaf Thijs, sportief Linkebeek door Pol Deridder, enzovoort. Voor de soldaten was er – in de eerste jaren – het woordje van de proost, ‘opbeurende’ of ‘stichtende’ artikels, adressen waar de Linkebeekse soldaten gekazerneerd waren …’ Om de gesmaakte cursiefjes van Zozefke natuurlijk niet te vergeten. Ook voor brieven van soldaten was er plaats, al liepen die niet altijd even vlot binnen.

En français?

Vanaf de late jaren 60 waren er onder de miliciens steeds meer Franstaligen. Zij vroegen naar artikels in hun moedertaal. De redactie had oren naar die vraag. Er werd gezocht naar Franstalige vrijwilligers om bijdragen te schrijven of teksten te vertalen en te redigeren. De vraag werd onder meer gericht naar de tweetalige parochieraad. Kandidaten werden aangesproken, maar niemand voelde zich geroepen om artikels in het Frans aan te leveren. Zodoende bleef Sjoenke eentalig Nederlands.

Op ambachtelijke wijze

Sjoenke werd aanvankelijk in de pastorie op de stencilmachine van de onderpastoor gedraaid. Een nummer van Sjoenke stencilen was een omslachtig karwei, en het werken met de inkt verliep niet altijd even proper. Voor elk blad moest een inktrol over een zeef worden gerold. Bovendien moest je een dag wachten tot de inkt gedroogd was, om ook de achterkant te bedrukken. Op een grote tafel werden alle stencils gelegd, om op die manier een nummer van Sjoenke te kunnen samenpuzzelen. ‘Eind jaren 70 gebeurde dat zelfs in mijn salon’, vertelt Alex Geysels. Dat kwam omdat de onderpastoor Linkebeek had verlaten, en we dus een alternatieve locatie moesten vinden. Ook de kelder van Jef Motté deed ooit dienst als drukkerij. ‘De teksten werden soms gekopieerd of gedistilleerd uit andere tijdschriften of zelf opgesteld’, gaat Geysels verder. ‘Sommigen konden zelf typen, maar op een gegeven ogenblik gebeurde dat vooral door mijzelf of door mijn echtgenote, die lerares dactylo was. Later kregen we bijstand van Elise Wauters en Chris Suys.’

Vanaf midden jaren 80, toen Sjoenke in de Moelie werd samengesteld, werd een stap vooruit gezet in de professionalisering van het magazine. ‘Het was een enorme vooruitgang’, vertelt Anne Van Loey. Zij maakt sinds begin jaren 70 deel uit van de redactieraad. ‘Via de oudervereniging van de school waar mijn kinderen school liepen, kwam ik in de pas opgerichte cultuurraad terecht. Van het een kwam het ander, en al gauw maakte ik ook deel uit van de groep vrijwilligers die één keer in de twee maanden mee rond de tafel liepen om de gestencilde pagina’s van Sjoenke bij elkaar te rapen. Voor de stencilbezigheden was er door de samenwerking met de Moelie eindelijk voldoende plaats. Die stencilmachine werd vervangen door een ‘modern’ apparaat.’ Al bleek dat niet meteen het meest gebruiksvriendelijke toestel. ‘Mark, de Moelieverantwoordelijke die mee voor de druk van Sjoenke zorgde, heeft er veel problemen mee gehad. Het was met een grote zucht van opluchting dat hij het ding bij het grofvuil kon zetten toen de druk onder de verantwoordelijkheid van vzw ‘de Rand’ kwam’, lacht Van Loey.

Trouwe lezers

Linkebeekse soldaten kregen Sjoenke gratis opgestuurd naar de kazerne waar ze ‘lagen’. In Linkebeek konden de inwoners zes nummers per jaar kopen. De eerste nummers kostten 5 Belgische frank. Tot 1970 werd Sjoenke aan de kerk verkocht, na de kerkdiensten. Ook op de wijk Holleken werd Sjoenke verkocht. Vanaf dan werd er met abonnementen gewerkt. Een andere vorm van inkomsten bestond uit advertenties.

Op de gedrukte kaft of op een inlegblad konden vooral zelfstandigen uit Linkebeek reclame maken. ‘Een abonnement kostte in de jaren zeventig 200 Belgische frank voor zes nummers’, herinnert Anne Van Loey zich. ‘Samen met de advertentieopbrengsten was dat juist voldoende om quitte te spelen. De verdeling van Sjoenke bij de abonnees gebeurde door vrijwilligers.’ Dat het aantal abonnees stabiel bleef, was voor de vrijwilligers een aanmoedigende bevestiging dat ze goed bezig waren. Als Sjoenke eind jaren 90 onder de vleugels van de pas opgerichte vzw ‘de Rand’ komt, wordt het via de post verdeeld en belandt Sjoenke in elke Linkebeekse brievenbus.

Van soldatenblad naar verenigingenblad

Sjoenke heeft ook moeilijkere tijden gekend. In de jaren 70 werd de dienstplicht korter, en werd de nood aan een blad met het nieuws over het thuisfront kleiner. Sjoenke evolueerde van een soldatenblad naar een breed informatieblad voor Linkebekenaren. In 1974 kwam het voortbestaan in het gedrang door een gebrek aan medewerkers. De oplossing – en redding – bestond in een overkoepelend orgaan waarin alle Linkebeekse verenigingen vertegenwoordigd zouden zijn. Alex Geysels: ‘Sjoenke was stilaan de spreekbuis geworden van de verenigingen en om Sjoenke in stand te houden werd de Sociaal-Culturele Raad opgericht. De typische soldatenartikels vielen weg en de aandacht ging uitgebreid naar de verenigingen en algemene artikels van Linkebekenaren, of naar artikels die Linkebekenaren konden interesseren.’ Zo deden ‘schaduwverslagen’ van de gemeenteraad hun intrede. De communautaire meningsverschillen, die vaak ook de nationale politiek beheersten, kwamen uitvoerig aan bod. Ook een tuinrubriek en een – letterlijk fel gesmaakte – receptenrubriek kregen een plaats in Sjoenke.

Vanaf begin jaren 80 kreeg Sjoenke ondersteuning van de Moelie. Daardoor stond er voortaan ook nieuws vanuit het gemeenschapscentrum in Sjoenke. ‘Toen de Moelie in 1981 van start ging met één culturele medewerker werden het stencilen van het blad, het verzamelen van de artikels en het contact met de diverse correspondenten al wat gemakkelijker’, herinnert Jef Motté zich.

Onder de vleugels van ‘de Rand’

De oprichting van vzw ‘de Rand’ in 1996 – met in haar opdracht onder meer de uitbating van de Moelie – betekende dat Sjoenke een gemeenschapskrant werd, die professioneel gelay-out en gedrukt werd. Vanaf september 2000 belandde Sjoenke elke maand in elke Linkebeekse brievenbus. Jef Motté: ‘Toen vzw ‘de Rand’ opgericht en operationeel werd, kwamen er gemeenschapscentra in de zes faciliteitengemeenten (en ook in Overijse, met GC de Bosuil). In die faciliteitengemeenten verscheen er ook een gemeenschapskrant. Linkebeek had zijn Sjoenke al, en de redactie en Sociaal- Culturele Raad stonden erop dat de naam van het tijdschrift bewaard bleef.’ Echt hartelijk verliep de samenwerking tussen de Sociaal-Culturele Raad en ‘de Rand’ in het begin niet. ‘De overname van Sjoenke door ‘de Rand’ werd geruime tijd met argusogen bekeken door de redactieraad’, herinnert Anne Van Loey zich. ‘We waren heel bang voor inhoudelijke inmenging. Het heeft heel wat diplomatie gevraagd van de verantwoordelijken van ‘de Rand’ om ons gerust te stellen, maar het was een hele opluchting dat we de financiële kant konden overlaten aan anderen. En langzamerhand werd dus inhoudelijk ook veel in samenwerking bepaald.’ De ene maand prijkte prominent ‘Sjoenke’ op de cover, met erboven ‘gemeenschapskrant van de sociaal-culturele raad van Linkebeek’ en het logo van de Sociaal-Culturele Raad. De andere maand kreeg het tijdschrift de naam ‘In de rand’, met als ondertitel ‘van Sjoenke’. Bovenaan stond het opschrift ‘gemeenschapskrant van de Moelie Linkebeek’.

Vrijwilligers centraal

Sjoenke kwam volledig tot stand met vrijwilligers. Dat is geëvolueerd doorheen de tijd. De laatste twintig jaar worden tekst en foto’s mede door professionele krachten gemaakt, een lay-outbureau verzorgt de vormgeving en het tijdschrift wordt in een drukkerij gedrukt. Alles wordt gecoördineerd door medewerkers van vzw ‘de Rand’. Maar het kloppend hart van Sjoenke zijn nog altijd de vrijwilligers in de redactieraad. Hoofdredacteur van Sjoenke Geert Selleslach, die ook hoofdredacteur is van RandKrant en van de gemeenschaps- kranten in de andere faciliteitengemeenten, is stellig: ‘De vrijwilligers zijn het kloppend hart van het tijdschrift. Ter plekke houdt niemand beter de vinger aan de pols dan de mensen die er wonen en actief zijn. Het zijn zij die interessante personen aanreiken, die weten wat er leeft. De vrijwilligers bepalen mee de inhoud en waken ook over de stijl en de toon. Zij bepalen de koers. Het is niet altijd makkelijk om vrijwilligers te vinden, maar tot nu toe kon Sjoenke altijd rekenen op een vijftal actieve mensen die een sterke invulling geven aan het tijdschrift.’

Vooral de inbreng van vrijwilliger Jef Motté was belangrijk voor Sjoenke. Anne Van Loey: ‘Hij was niet bij de oprichters van Sjoenke, maar is zo goed als altijd de stuwende kracht geweest, hoewel hij zijn rol altijd bescheiden op de achtergrond hield. Maar zonder hem zou er geen Sjoenke zijn. Zijn rol was uniek. Zijn kennis van Linkebeek en de Linkebekenaren, van de politieke verhoudingen, van de manier waarop hij altijd kritisch probeert te zijn en de meningen en gevoelens van de Vlamingen weer te geven zonder de Franstaligen te bruuskeren, maakte dat er ook bij de Franstaligen met waardering over Sjoenke werd gesproken.’

Evenwichtsoefening

Toen het eerste nummer van Sjoenke van de persen rolde, was Linkebeek nog een dorp met een landelijk karakter. ‘In de beginjaren waren er veel verenigingen. De rubriek ‘nieuws uit de verenigingen’ was altijd goed gevuld’, zegt Anne Van Loey. De steeds groter wordende schaduw van Brussel betekende – net zoals voor alle gemeenten in de rand rond de hoofdstad – dat Linkebeek meer verstedelijkte en dat het gemeenschapsgevoel kleiner werd. Geen vanzelfsprekende context dus om vanuit de Sociaal- Culturele Raad een gemeenschapstijdschrift samen te stellen. ‘Er was een soms ongezonde na-ijver tussen de verenigingen of sommige bestuursleden van de verenigingen’, weet Alex Geysels. Maar Sjoenke werkte verbindend. ‘De eerste taak van Sjoenke en de Sociaal- Culturele Raad was het samenwerken bevorderen tussen de verenigingen, vooral via de gepubliceerde info. En  dat lukte! Voor Vlaams Linkebeek was Sjoenke een onmisbare schakel in de bewustwording van het Vlaamse karakter van Linkebeek.’

‘Vooral voor het verenigingsleven is Sjoenke van groot belang geweest’, vult Jef Motté aan. ‘Het feit dat het blad vanaf juni 1999 gedrukt werd en in een mooiere look in alle bussen van de gemeente kwam, was een grote stap vooruit.’

Sjoenke samenstellen bleek ook op andere vlakken een delicate evenwichtsoefening. De soms hoog oplaaiende taalspanningen maakten het samenleven niet makkelijker. ‘In de beginperiode dat Sjoenke in elke brievenbus kwam, werd dat niet zo geapprecieerd langs Franstalige kant’, weet Motté. ‘Dat is sinds enkele jaren wel verbeterd.’ ‘Er werd, net zoals vandaag, altijd getracht om van de Franstaligen geen vijanden te maken,’ zegt Van Loey, ‘maar we wilden ook tegengas geven bij de werking van het zeer Franstalig gezinde gemeente- bestuur. Er was in die tijd geen andere publicatie in de gemeente, ook niet van de gemeente zelf. Het blad werd redelijk veel gelezen, vooral door wie op de hoogte wilde blijven van het reilen en zeilen in de gemeente. De zéér genuanceerde kijk van Jef en Alex zorgde ervoor dat er weinig taalvijandige reacties kwamen. De artikelen van  Alex over de Linkebeekse geschiedenis konden ook bij de Franstaligen die een beetje Nederlands beheersten op veel interesse rekenen.’

Toekomst

Het hoeft geen betoog dat Linkebeek de voorbije zestig jaar veranderd is. Veel inwoners zijn pendelaars met roots die elders in het land of zelfs het buitenland liggen. Vaak hebben ze niet echt een sterke band met hun woonplaats. Dat wil volgens Geert Selleslach niet zeggen dat Sjoenke, waarin zeer lokaal nieuws te lezen staat, niet meer van deze tijd is. ‘Integendeel. Ik geloof nog zeer sterk in de kracht van lokale informatie. Ook op papier trouwens. Een gedrukt tijdschrift maakt deel uit van de manieren om onze verbindende boodschap te brengen. Natuurlijk moeten we ook inzetten op nieuwe communicatievormen, zoals de website van de Moelie, maar de papieren versie van Sjoenke blijft nog altijd nodig.’

 

Tekst: Wim Troch
Foto: © Rik Otten
Uit: sjoenke november 2020